Menu

Betonstop: veel theorie, weinig praktijk

7 juni 14:45 in De wijk van morgen

Zolang de leeuw kan bouwen

Elke dag verdwijnt in Vlaanderen het equivalent van tien voetbalvelden onder het beton. De open ruimte wordt langzaamaan opgevreten, de versteende lintworm groeit. Halen we ooit de betonstop? ‘Gemeenten die het beter willen doen, hebben geen been om op te staan.’

Even buiten de dorpskern van Hoogstraten bouwde architect Jef Blockx tien jaar geleden zijn nieuwe huis, een één verdieping tellende villa van beton en glas. De gecontroleerd wilde tuin telt meer dan 150 bomen. Een gracht, ooit publiek goed, loopt dwars door de tuin en staat droog vandaag. Maar in de rietvijver houden kikkers op het middaguur een oorverdovend concert.

‘Aan het hof van Lodewijk XVI had je personeel dat tijdens feestjes de kikkers koest hield door met een waaier op de vijver te pletsen’, zegt Blockx, terwijl hij ons een stoel onder een lommerrijke notelaar aanwijst. ‘Maar daar heb ik het geld niet voor’, grinnikt hij.

Hij heeft nochtans goed geboerd. Zijn stempel gedrukt op het straatbeeld van Hoogstraten, waar hij geboren is en in de jaren 90 een architectenbureau begon. ­Tekent hier in het dorp voor meer dan 100 appartementen. ‘88 sociale appartementen voor Domus Flandria, dat tikt snel aan’, zegt hij. ‘15 daar, 25 ginder.’ Hij knikt achtereenvolgens in oostelijke en westelijke richting. ‘Destijds deed men soms wat denigrerend over al die appartementen. Maar om tegemoet te komen aan de woonbehoeften en de betonstop zal het stapelen van woningen nodig zijn en blijven.’

Ook achter zijn tuin kruipen buren dichterbij. ‘Alles is hier weggeknabbeld door bebouwing. Waar tien jaar geleden nog koeien liepen, staan nu huizen.’ Die verkaveling is inmiddels aardig volgestort, maar een bord leert dat er nog altijd ettelijke percelen bouwgrond te koop zijn.

Ook elders in de gemeente wordt nog druk verkaveld. Bij het binnenrijden van Hoogstraten wordt een immens terrein bouwklaar gemaakt. ‘Er komen bedrijven’, vertelt Bert Aerts, wiens achtertuin bijna ­helemaal is opgeslokt door de verkaveling. ‘Bijna. Gelukkig houdt mijn zoon hier duiven, anders kwamen ze tot aan mijn achterdeur. Ruimte voor hobby mogen ze niet afpakken. Ik had geen keuze. Akkoord of niet, ik moest tekenen voor de grond die van mijn ouders en van hun ouders was, goede weidegrond, nu allemaal afgegraven.’

Rush

Om de hoek bij Blockx verrezen vorig jaar aan de rand van een nog niet aangesneden grasveld twee stralend witte huizen, kubussen van steen en glas. Ze staan er te blinken in de zon als krijgers die een stuk grond bezetten. Dat is ook zo: met hun komst is een tot voor kort onbebouwd stuk in het gewestplan voorzien woongebied ‘ontmaagd’. En waar grond wordt aangesneden, is een terugkeer naar open ruimte moeilijk tot onmogelijk.

Zo gaat het er op dit moment overal in Vlaanderen aan toe. U merkt het aan de vele betonmolens die u langs Vlaamse wegen ziet draaien. Waar het gewestplan zones rood heeft ingekleurd, nog niet aange­sneden woongebied, ontstaat door het vooruitzicht van een betonstop – aangekondigd door de Vlaamse regering voor 2040, maar nog niet formeel goedgekeurd – een rush om die vooralsnog ‘in te vullen’.

Cijfers van het Departement Omgeving bevestigen die zogenaamde betonsnelheid. De open ruimte wordt a rato van 6 hectare per dag ingenomen. Dat zijn tien voetbal­velden per dag. Afgelopen jaar is dat zelfs gestegen naar 7 hectare. Dramatisch veel als u weet dat Vlaanderen vandaag al de Europese koploper is in ruimtebeslag en ver­harding. We zijn dan ook met erg veel (6,5 miljoen) op een erg kleine kluit (13.500 vierkante kilometer).

33 procent van het grondgebied wordt gebruikt om te wonen, te ondernemen of te ontspannen. Met 14 procent verharding doet Vlaanderen het dubbel zo slecht als het Europese gemiddelde (7 procent). Twee derde daarvan wordt gevormd door wegen, terrassen, opritten … Op het andere derde staan gebouwen. Eén op de vier Vlamingen woont in ‘een lint’, waarvan Vlaanderen er in totaal 13.000 kilometer heeft. 

De betonmolens draaien vooral op volle toeren in de provincies Limburg en Antwerpen, meer bepaald in de Kempen. Dat blijkt uit het Betonrapport van Natuurpunt. Hoogstraten spant de kroon. Natuurpunt bedacht de gemeente, bekend om haar aardbeien en Klein Seminarie, met de dubieuze titel ­‘betonhoofdstad van Vlaanderen’. Elke dag verdwijnt er gemiddeld 815 vierkante meter aarde onder een harde laag asfalt of beton. Dat is anderhalve à twee kavels per dag, omgerekend een voetbalveld in een week tijd.

Van mijn erf!

Veel heeft in Hoogstraten te maken met de serrebouw – die heerlijke aardbeien komen ergens vandaan – maar er worden ook nog altijd duchtig kavels voor bewoning aangesneden. ‘Hoogstraten Leeft, zo heet de partij die de gemeente bestuurt,’ zegt Blockx, in een vorig leven schepen van Ruimtelijke Ordening voor CD&V, ‘en dat is niet gelogen. De woonbehoefte is hier groot, deels door de vele Nederlandse in­wijkelingen, deels door de troeven van de gemeente. Je hebt hier alles dichtbij. Het is een scholenstad, er zijn vele eetgelegen­heden, er is nog groen: eigenlijk is dit een dorpje dat een stad geworden is. Ik heb een groot hart voor Hoogstraten, ik heb er veel gebouwd, maar we moeten beseffen dat er grenzen aan de groei zijn.’

Dat er in de centrale straat van het dorp, die luistert naar de prachtige naam De Vrijheid, nog bomen staan, is mee Blockx’ verdienste. ‘Ze wilden ze verplaatsen, want ze gaven te veel vuiligheid voor de één, ze stonden voor de etalage van de ander. Ik dacht: laat ze staan waar ze staan.’

Blockx noemt zichzelf een echte natuurmens. ‘Ik let er bij elk project op dat de inpassing in de omgeving zo goed mogelijk gebeurt’, zegt hij. ‘Er is in het verleden inderdaad te veel verhard. Nu ja, je kunt als architect wel je visie geven – wat ik doe, het wordt mij niet altijd in dank afgenomen – maar de jongste jaren is onze stem toch minder gaan wegen ten voordele van die van de ontwikkelaar.’

De betonstop is een goede zaak, zegt de architect met overtuiging. ‘Ik heb de paden in mijn tuin onverhard gelaten. Al het regenwater blijft hier ter plekke. Als het aan mij lag, werden er veel meer bomen geplant, ook in tuinen. Maar de modale Vlaming is groenschuw. Hij heeft het graag “netjes”, strak gazonnetje, een proper terras, geen organische tuin, want dat is vuil. Allemaal hard. We blijven territoriumdieren: het ideaalbeeld blijft een liefst vrijstaand huis met tuin. En alles afgesloten van de buitenwereld, want wij zijn het volkje dat roept “van mijn erf!”.’

‘Je krijgt de Vlaming misschien ooit wel uit zijn te grote huizen, maar de baksteen nooit uit de Vlaming. En omdat de conjunctuur het vandaag toelaat – de interesten zijn laag en op de bank brengt geld niets op, dus je kunt het beter in stenen steken – draaien de betonmolens verder.’

Lasagne

Op dit moment is nog 40.000 hectare open ruimte op de gewestplannen voorzien als potentieel woongebied. ‘Ook als we de aangekondigde betonstop tegen 2040 uitvoeren, zal daarvan tegen het huidige tempo nog de helft worden aangesneden’, zegt Tom Coppens, professor aan de Universiteit Antwerpen. Hij begeleidde mee de ontwikkeling van de Bouwmeester Scan, een instrument dat het Team Vlaamse Bouwmeester aan lokale overheden aanbiedt om in hun gemeente de ruimtelijke pijnpunten en kansen in kaart te brengen. ‘Daar is veel vraag naar’, weet Julie Mabilde, medewerkster van de Bouwmeester. ‘Gemeenten tonen zich vandaag vaak al ambitieuzer dan wat de Vlaamse overheid vooropstelt. Ze wachten niet tot de betonstop er komt.’

In elk van die gemeenten ligt nog open ruimte die ooit op de gewestplannen werd ingekleurd als bouwgrond. Tel daar ook nog het woonuitbreidingsgebied bij en Vlaan­deren zou helemaal dichtslibben, mochten die vele tienduizenden hectaren benut worden. ‘Als we echt willen, quod non, kunnen we die rode zones nog helemaal volbouwen’, zegt Coppens. ‘Juridisch kan het, het is ooit zo voorzien als bouwgrond. Maar het zou waanzin zijn om al die open ruimte nog in te nemen. Alleen, hoe hou je het tegen?’

‘Klopt’, zegt Blockx, verwijzend naar de twee witte kubussen in het open veld, dat straks alleen nog in de straatnaam (Warmoeshof) groen zal zijn. Zijn bureau heeft er een aandeel in. ‘Ik beschouw mezelf daar toch eerder als lijdend voorwerp’, werpt hij tegen. ‘Het is woongebied, al tientallen jaren, daar krijg je geen speld tussen.’

De gul rood gekleurde vlekken op de ­gewestplannen zijn een historische erfenis. ‘Die plannen zijn tot stand gekomen in de jaren 70’, brengt Coppens in herinnering. ‘De woongebieden werden toen erg ruim ingekleurd en gingen uit van zeer optimis­tische prognoses van de bevolking. Vele ­gemeenten wilden toen ook zo veel mogelijk bouwgrond om de prijs van de gronden laag te houden.’

De geschiedenis laat zich niet zomaar wegschrijven en het landschap draagt er alle littekens van in de vorm van verrommeling of verneveling. In 1997 was er een eerste, ernstige poging om orde in de ruimtelijke wanorde te scheppen met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). Dat stelde zich tot doel om het wonen te verdichten (60 procent in stedelijke kernen, 40 procent daarbuiten) en op die manier open ruimte te vrijwaren. Probleem: dat RSV leidde theoretisch wel tot een kleine trendbreuk, maar op het terrein bleven de gewestplannen van de jaren 70 de maatstaf. Zo ontstond er ook ‘een lasagne van ruimtelijke structuren’, dixit een pas gepubliceerd rapport van de VUB en Universiteit Antwerpen in opdracht van de Vlaamse Bouwmeester (‘De juridische en fiscale oorzaken van ondoordacht ruimtegebruik’).

Eigen haard eerst

Een kat vindt er haar jongen niet in terug. Toch is er in die chaos één constante, een letterlijk vaststaand gegeven dat elk gevecht voor behoud van bestaande open ruimte (laat staan voor bijkomende open ruimte) vandaag en voor een lengte van jaren bemoeilijkt, en dat is: de regels moedigen nog altijd een intussen gedateerde, zowel ecologisch als maatschappelijk onhoudbaar geworden woondroom aan.

‘Er is vandaag een absolute mismatch tussen de vraag en het aanbod’, zegt Tom Coppens. ‘Er zijn 3,1 miljoen woningen, een zeer groot aandeel daarvan is gericht op grote gezinnen. Tegen 2060 zijn 4 op de 10 van de gezinnen alleenstaand. Het woonaanbod is niet afgestemd op die demografische voorspellingen. Vandaag woont al 72 procent van de Vlamingen in een te grote woning en dat percentage neemt toe. Het is gewoon onbetaalbaar en onwenselijk dat elke alleenstaande in een huis van 200 vierkante meter gaat wonen.’

Niet alleen is het gros van onze huizen te groot, ze zijn ook vanouds in private handen. Ook dat is een bijna genetisch onderdeel van de Vlaamse woondroom: eigen haard eerst. Herinnert u zich het aloude ­logo van de ASLK? Een huis als spaarpot. De overheid moedigde in ons land altijd eigen woningbezit aan. Nog altijd loopt er een rechte lijn van de wet-De Taeye (1948), die toeliet goedkoop een huis te bouwen, naar de huidige woonbonus.

Het gevolg is dat overheden maar weinig hefbomen hebben om de ruimtelijke orde te sturen in een meer gewenste richting, in ­casu verdichting van de bewoning en vergroening van de open ruimte. ‘Op een klein percentage sociale woningen na heb je bijna geen woningen in publiek eigendom’, zegt Bouwmeester-medewerker Julie Mabilde. ‘Dat maakt het moeilijk om in te grijpen. Om de doelstellingen te halen, zou je woonblok per woonblok, wijk per wijk moeten kunnen aanpakken. In Nederland kan dat, bij ons moet je in plaats van met één bouwheer onderhandelen met tientallen eigenaars.’

Ook blijven regels en financiële stimuli het wonen ‘op den buiten’ aantrekkelijker maken dan in de stad, wat haaks staat op de zogezegde politieke wil – zoals het in de voorbije verkiezingscampagne ook met de mond werd beleden – om te ontharden in het buitengebied en te verdichten in de stads- en dorpskernen. Bouwgrond is nog altijd goedkoper buiten dan in de stad en het kadastraal inkomen en de daarop berekende roerende voorheffing zijn hoger in de stad. ‘De overtuiging uit 1975 dat een huis in de stad meer waard is en bijgevolg meer kan worden belast, botst op de hedendaagse beleidsopvattingen dat wonen in stedelijk gebied net zou moeten worden gestimuleerd’, aldus het onderzoeksteam in het hoger geciteerde rapport van de Bouwmeester.

Dat we met z’n allen nog altijd niet echt geprikkeld zijn om dichter bij stedelijke kernen te gaan wonen, blijkt ook uit het migratiesaldo in de steden. Er ontvlucht nog altijd meer volk de stad dan dat er wordt ingeweken. De Bouwmeester citeert cijfers uit een studie van vorig jaar: -16,5 procent voor Antwerpen, -19,1 procent voor Gent.

Achterpoortjes

Er is nog meer tegenspraak, noem het gerust: hypocrisie, tussen de retoriek van de Wetstraat en de praktijk van de wet. ‘De Vlaamse overheid kondigt een betonstop aan,’ zegt Tom Coppens, ‘maar het vergunningenbeleid gaat dwars tegen die intenties in. Tot op vandaag zijn er nog altijd erg veel uitzonderingen mogelijk en dat is in de wetgeving van de jongste jaren alleen maar toegenomen. Gemeenten die het beter willen doen, hebben geen been om op te staan. Ze kunnen een vergunning weigeren, maar dan is de kans groot dat ze in beroep worden overruled.’

Coppens geeft middels luchtfoto’s het voorbeeld van een kleine boerderij in Tienen die dankzij uitzonderingsmaatregelen in tien jaar tijd werd omgetoverd tot een heus bedrijventerrein dat liefst 6 hectare grond ‘opat’.

Over al die achterpoortjes hoorde je de politici voor 26 mei nauwelijks, des te meer over de ‘onbetaalbaarheid’ van de betonstop, a fortiori als die er sneller dan voorzien moet komen. Dat laatste is onder meer volgens Bouwmeester Leo Van Broeck en klimaatexpert Jean-Pascal Van Ypersele imperatief. ‘Wij moeten plaats teruggeven aan de natuur’, zei de eerste in MO*. ‘Zelfs de betonstop volstaat niet: we hebben nu al te veel plaats ingenomen.’

Hectaren grond herbestemmen – van rood naar groen, van woongebied naar open ruimte – kost inderdaad veel, mede door de al geciteerde historische erfenis van het privaat eigendom. ‘Wil je die erfenis ongedaan maken,’ zegt Coppens, ‘dan moet je eigenaars compenseren en dus planschade betalen. We praten over naar schatting 40.000 hectare. Vermenigvuldig dat met de grondprijs per vierkante meter. Onbetaalbaar. We moeten naar alternatieven zoeken, zoals ruilformules (zie verder), om te vermijden dat dit arsenaal verder wordt volgebouwd.’

Wat de politici die morren over de hoge factuur van een betonstop er zelden of nooit bij zeggen, is hoeveel hoger de kosten zijn indien er geen of een onvoldoende ambi­tieuze bouwshift komt. ‘Business as usual is het duurste scenario’, blijkt uit een recente studie van Departement Omgeving in ­samenwerking met Vito. Verspreide bebouwing vergt namelijk tien keer meer infrastructuur, zoals wegen en riolering, per gebouw dan in een stadskern. We blijven ook meer de auto nodig hebben als we buiten de kernen wonen en de Vlaming legt vandaag al jaarlijks 1.000 kilometer meer af dan de gemiddelde Europeaan. Verdichting en ontharding brengen geld op: je spaart honderden miljoenen euro’s uit aan waterleidingen, riolen, infrastructuur voor elektriciteit, gas en telecommunicatie. Om nog maar te zwijgen van de vele andere baten: minder luchtvervuiling, minder ziekte, minder slachtoffers in het verkeer, meer ruimte voor hernieuwbare energie …

Zweet en natte voeten

Zijn we te pessimistisch? Rien ne va plus? Moeten we ons instellen op meer overstromingen, omdat het water door al die verharde grond niet weg kan? Op permanent oververhitte steden in de zomer, omdat op de heetste dagen het temperatuurverschil tussen onverharde en verharde ruimte kan oplopen tot 10 graden? En moeten we verder de prijs betalen voor de overbelasting van milieu, klimaat en levens­kwaliteit?

Sommige experts menen dat de betonmolens eerder door demografie en marktwerking dan door politiek voluntarisme zullen stoppen met draaien. ‘Door de gezinsverdunning en de vergrijzing neemt de vraag naar grote woningen snel af’, zegt Tom Coppens. ‘De markt raakt dit type woning steeds moeilijker kwijt en je ziet dat ontwikkelaars daardoor ook kleiner gaan bouwen. De druk op eigenaars van grote percelen om die te verkavelen in kleinere percelen, zodat er meer woonunits op een beperktere oppervlakte kunnen worden gebouwd, neemt toe.’

Voor ontwikkelaars begint die roep naar verdichting dermate lonend te worden dat er zelfs al een pervers effect dreigt. ‘In steeds meer kernen verschijnen wat in de vakwereld jumbofermettes worden genoemd’, zegt Julie Mabilde. ‘Eendere appartementsblokken die de identiteit van een stads- of dorpskern verbrodden en weinig woonkwaliteit bieden. Dat is ook niet de weg die we op moeten.’

Intussen wordt er onder meer door de Bouwmeester en lokale overheden druk gestudeerd en geëxperimenteerd om het tij te keren. ‘Er wordt meer en meer nagedacht over ruilformules’, zegt Coppens. ‘Je ontwikkelt een bepaald gebied niet meer en in ruil daarvoor krijg je een ander gebied. Zo omzeil je de kostprijs voor planschade. Maar, opnieuw, de wetgeving is er niet aan aangepast. Er is één instrument dat gemeenten hebben, dat heet de “herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil”. Vijf jaar geleden zijn er enkele proefprojecten gestart, geen enkel daarvan is al afgerond.’

Tegen de klok

Er zijn lichtpuntjes, maar ze komen tegen de klok en tegen vele belangen in. Nieuwe manieren van verdicht bouwen en wonen duiken her en der op: boven winkels of bedrijven, co-housing, integratie van schoolgebouwen en duplexwoningen … (een mooi overzicht biedt de website www.ruimtelijkrendement.be van Departement Omgeving).

Er zijn ook gemeenten die het voortouw nemen. In zijn Betonrapport somt Natuurpunt op: Meerhout (waar vervallen gebouwen werden afgebroken en de open ruimte hersteld), Zemst (vrijwaren slecht gelegen bouwkavels), Oostende (afbraak vervallen gebouwen en stallingen in krekengebied).

Samen met de praktijk verandert stilaan ook de mentaliteit van wie bouwt. ‘De architect heeft ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid’, zegt Julie Mabilde. ‘Er zijn veel architecten die bepaalde ruimteverslindende opdrachten niet meer aanvaarden. Ook in de opleidingen gaat daar vandaag meer aandacht naartoe dan vroeger.’

Er zijn veel redenen om open ruimte te (re)claimen: harde en zachte. Het zit soms in kleine dingen. Dat leert de kleine revolutie die de vzw Springzaad al tien jaar beoogt door scholen aan te jagen om hun stenen speelplaats op te breken. In De Brug in Beringen hadden ze er oren naar. ‘We konden met de school een stuk grond op de kop tikken om onze speelplaats uit te breiden’, vertelt directeur Christophe Dirckx. ‘We hebben toen besloten om dat niet te verharden.’

De speelplaats werd een speeltuin, met alles erop en eraan: miniboerderij, moestuin, met groen omzoomde stiltehoekjes. ‘Dit is een school type 9, voor kinderen met autismestoornissen. Het heeft een weldadig effect op hen. Wordt het hen te druk, dan zoeken ze hier de rust op.’ In de klas van juf Evelyne bevestigt Thomasz Deckers (12) het graag: ‘Er is veel minder ruzie dan vroeger.’

Bron: www.standaard.be

Auteur: Filip Rogiers

Bekijk grote versie van deze afbeelding

0 reacties