Menu

Een kaars en een bril, voor wie naar de klimaatuitdaging kijken wil

18 juli 11:41 in De wijk van morgen

Het Vlaamse -35%-doel voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 vergt bijzonder grote inspanningen. De huidige klimaatplannen volstaan niet om dat doel te bereiken. In het maatschappelijke debat wordt bovendien onvoldoende beseft hoeveel investeringen, arbeidskrachten en publieke middelen dat doel impliceert. Berekeningen van de SERV leren dat het gaat over 3 tot 12 miljard per jaar extra Vlaamse publieke uitgaven (op een totale begroting van ongeveer 45 miljard), een toename van investeringsritmes met een factor 2 tot 7 en de mobilisatie van 250.000 extra arbeidskrachten in de Vlaamse bouwsector. Het betekent ook dat het klimaat- en energiebeleid in deze nieuwe legislatuur opgetild moet worden (‘gesublimeerd’) naar discussies over begroting en fiscaliteit, infrastructuur, woonnoden, armoede, arbeidsmarkt, mobiliteit, overheidsbestuur enz. om de nodige klimaatactie effectief te kunnen realiseren en om ondertussen iedereen aan boord te houden.

Hieronder belichten we de belangrijkste vaststellingen en conclusies van het lijvige klimaatrapport en klimaatadvies van de SERV. Deelconclusies zullen we elders de komende tijd verder onder de aandacht brengen.

Kernboodschappen

Anno 2019 staat Vlaanderen niet sterk aan de start van de klimaatrace. De realisatie van de 2020-doelen is onzeker. Plannen, scenario’s en studiewerk over hoe de 2030-doelen te realiseren, zijn nog zeer mager. Onterecht wordt gesuggereerd dat nog veel meer mogelijk is, zonder dat aan te tonen of door te rekenen. Maar woorden en hoogdravende verklaringen tellen niet, ingezette menskracht en middelen wel. Die middelen staan vandaag niet in verhouding tot de behoeften. En onze overheden en hun beleidsprocessen zijn niet uitgerust om met het transversaal en ingrijpend karakter van de klimaatuitdaging om te gaan.

Die rol van de overheid is cruciaal. Het klimaatvraagstuk kan niet louter gereduceerd worden tot een individuele verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven. Het kader, de infrastructuur, de prijzen en de processen moeten juist zitten. Zonder vooruitgang in discussies die het klimaat- en energiebeleid overstijgen, zoals de begroting en fiscaliteit, het infrastructuurbeleid, het mobiliteitsvraagstuk, de woonnoden, de armoedeproblematiek, de arbeidsmarkt, het overheidsbestuur enz. worden de 2030-doelen quasi onhaalbaar. Er zullen grote inspanningen nodig zijn om de investeringen, de innovaties, de financiering, de instrumenten, de onderbouwing, de processen en de personeelsinzet in lijn te brengen met de 2030-en 2050-uitdaging. Én om iedereen aan boord te houden. Want ondertussen moeten draagvlak, betaalbaarheid, ondernemersklimaat en competitiviteit bewaakt worden.

We willen niet ontmoedigen, maar met de neus op de feiten aanzetten tot actie. Het SERV-advies bevat door alle Vlaamse sociale partners gedragen beleidsrichtingen over hoe de 2030-doelen te realiseren en te financieren. Want de eerstvolgende jaren zijn cruciaal. Het gaat concreet om 24 aanbevelingen, onze ‘tabel van klimaat- en energielef’ (een bruggetje naar de dit jaar 150-jarige ‘Tabel van Mendeljev’). Het is essentieel dat ze meegenomen worden in het tegen eind 2019 te finaliseren nationaal klimaat- en energieplan 2021-2030 en de visie voor 2050.

Vier daarvan zijn cruciaal: infrastructuur, financiering, personeel en goede processen. De Vlaamse infrastructuur moet worden verbouwd en vernieuwd om die aan te passen aan de klimaattransitie. Er moet grondig geschoven worden in financiële stromen om de klimaattransitie te kunnen betalen en te kunnen sturen. Er moeten voldoende arbeidskrachten vrijgemaakt worden, vooral in de bouwsector en bij de overheid om de klimaattransitie in de praktijk te brengen. Beter bestuur moet ervoor zorgen dat de klimaatproblematiek integraal, evenwichtig en behoorlijk aangepakt kan worden. Enkel zo kan het klimaat- en energiebeleid op het broodnodige hogere niveau worden getild.

Kerncijfers

Het SERV rapport bevat heel wat gegevens en origineel cijferwerk. Origineel, omdat de overheid in haar beleidsplannen niet altijd klare wijn schenkt (het is bijvoorbeeld moeilijk om data te vinden over de realisatie van de niet-ETS-doelen omdat de niet-ETS-emissiecijfers in de meest actuele inventarissen van VMM niet overeenkomen met de cijfers waartegen de realisatie wordt afgemeten; de niet-ETS-emissies voor 2017 en 2018 zijn nog steeds niet in een voortgangsrapport of door VMM gepubliceerd) en veel relevante informatie ontbreekt (de plannen zijn bv. niet duidelijk over welke maatregelen welke niet-ETS-emissiereducties zullen opleveren en bevatten geen informatie over hun kosten en potentiëlen, wat nochtans nodig is om een kosteneffectief klimaatbeleid te voeren). We kunnen door die datatekorten niet alles becijferen. Onze berekeningen hebben dus hun beperkingen. Om die reden hebben we ze ook ‘bierviltjesberekeningen’ genoemd. Ze leveren nieuw en interessant materiaal op voor het debat. Tegelijk vormen ze een uitnodiging aan de Vlaamse overheid om onze berekeningen te verfijnen en op onderdelen verder aan te vullen.

De analyses die we maakten van de ontwerp klimaat- en energieplannen, tonen drie dingen. Ten eerste: Vlaanderen is tot nu toe nog niet ver geraakt: met het klimaatbeleid van de afgelopen 15 jaar is nog maar -0,4% CO2 reductie gerealiseerd in de sectoren die niet vallen onder het Europese Emission Trading System (niet-ETS-sectoren, voor ETS sectoren gelden geen Vlaamse maar Europese doelstellingen). Ten tweede: Vlaanderen zal volgens de prognoses van de Vlaamse regering slechts -5,8% tot -9,5% realiseren tegen 2020 en dus zijn 2020-doel voor niet-ETS-sectoren van -15,7% tov 2005 wellicht niet halen, tenzij flexibiliteitmechanismen worden ingezet. Ten derde en vooral: de trappen die nog genomen moeten worden om de 2030-doelstelling van -35% tov 2005 te halen, zijn bijzonder groot. Dat kan duidelijk worden geïllustreerd met wat die -35%-reductie betekent voor de twee sectoren met de grootste uitstoot: het zal veel bouwlust en nog meer miljarden vergen om de gebouwen in Vlaanderen zodanig te verbouwen dat hun uitstoot met de beoogde 43% kan verminderen. Ook de doelstelling voor de transportemissies van -29% blijkt erg ambitieus als men kijkt naar wat hiervoor nodig is in de praktijk (zelfs met een hoge kilometerheffing, miljarden investeringen in openbaar vervoer, afschaffing van professionele diesel en salariswagens zouden we maar -22% bereiken).

Vaak wordt ten onrechte gesuggereerd dat oplossingen klaar liggen en dat plannen sluitend zijn, dat de doelen gemakkelijk te realiseren en te financieren zijn of dat er nog veel meer mogelijk is. Niet dus… Bijkomend beleid is nodig om de vooropgestelde doelstellingen binnen bereik te brengen.

De investeringen in infrastructuur moeten fors verhogen, gemiddeld met een factor 2 tot 3. Dat hoge investeringsritme heeft implicaties voor de financiering. Een deel van die investeringen zal met publieke middelen gefinancierd moeten worden. We schatten dat de extra behoefte aan Vlaamse begrotingsmiddelen kan oplopen tot 3 à 12 miljard € per jaar. Dat is nog een grote vork omdat veel nog afhangt van beleidskeuzes over het ambitieniveau en de mate waarin de overheid bepaalde investeringen bij burgers en bedrijven financieel zal ondersteunen dan wel verplichten of anders stimuleren. Maar hoedanook, op een begroting van ongeveer 45 miljard € is dat gigantisch.

Van die 3 tot 12 miljard gaat in onze berekeningen de helft (1,5 tot 6 miljard) naar de renovatie van woningen van gezinnen die dat zelf niet kunnen betalen. Het gaat over gezinnen die gemiddeld gezien in de slechtste en minst geïsoleerde woningen wonen, die niet de mogelijkheid hebben om zelf te betalen voor een diepgaande energetische renovatie, en waarvoor private financieringsconstructies niet evident zijn. Daarnaast zullen ook nog veel middelen nodig zijn voor de renovatie van scholen en voor investeringen in de Lijn en fietsinfrastructuur en voor de plannen om sommige kosten uit de elektriciteitsfactuur te halen en via algemene middelen te financieren.

Als investeringen maal 2 of 3 moeten gaan, zijn er hiervoor ook de nodige mensen nodig om dat in de praktijk concreet te doen. Volgens onze schattingen gaat het over 250.000 extra mensen die nodig zijn in de bouwsector. De vraag is waar we die zullen vinden. Klimaatbeleid vergt dus ook een toekomstgerichte arbeidsmarktstrategie om die noden aan extra arbeidskrachten in te vullen. Ook bij de overheid is er een personeelsissue en moet er geschoven worden om de klimaat- en energiestaf te versterken. Van de 25.500 ambtenaren (VTE) bij de Vlaamse overheid werken er nauwelijks een 100-tal VTE op energie en klimaatbeleid, nauwelijks 0,5%. Als klimaat en energie een prioriteit is, moet zich dat ook in deze cijfers weerspiegelen.

Deze kerncijfers maken duidelijk hoe belangrijk het is om het klimaatbeleid te laten sublimeren in een infrastructuurbeleid, het begrotingsbeleid, het arbeidsmarktbeleid, het bestuur.

De Grote Verbouwing

Vlaanderen heeft de komende jaren een ‘grote verbouwing’ nodig. Meer investeringen in gebouwen, mobiliteit (fietsinfrastructuur en investeringen in De Lijn), energie (elektriciteitsnetten, gasnetten, energieproductiecapaciteit, …), watergebonden infrastructuur (waterbescherming, waterbeheersing, kustbescherming), … zijn nodig om de infrastructuur te vernieuwen en toekomstbestendig te maken in het licht van de klimaatuitdaging.

Onze ‘bierviltjesberekening’ becijferde dat om de doelstellingen te halen, de komende jaren 6 tot 12 miljard euro extra infrastructuurinvesteringen per jaar nodig zijn, vooral in de renovatie van het gebouwenpark, in het energiesysteem en in e-het -transportsysteem. Het investeringsritme moet dringend en drastisch opgekrikt worden, gemiddeld met een factor 2 tot 3, soms zelfs met een factor 7. Het feit dat veel extra investeringen nodig zijn, wordt verklaard door de ambitie van de klimaatdoelstelling maar ook door de inhaalbeweging die nodig is omdat er jaren relatief weinig werd geïnvesteerd.

Een goede geïntegreerde infrastructuur- en ruimtelijke planning is cruciaal, evenals een centrale capaciteitsopbouw hierover binnen de overheid. Ook een degelijk beheer en een goede regulering van infrastructuur zijn van belang. Daarom suggereren we om bv. te kijken naar pistes om de nutssectoren geïntegreerd te reguleren teneinde kosten te besparen en maatschappelijke belangen beter te waarborgen.

Prangend financieringsvraagstuk

Vandaag wordt de financieringsuitdaging van het klimaat- en energievraagstuk weinig belicht en sterk onderschat. Koken kost geld. Een financieel plan is nodig om de rekening van het klimaat- en energieplan 2021-2030 sluitend te maken. Zo’n financieel plan ontbreekt nog. De kosten van de klimaatplannen zijn onduidelijk, het is onduidelijk wat privaat en wat publiek gefinancierd zal worden en het is onduidelijk hoe die kosten betaald zullen worden.

In elk geval zal een groot deel publiek gefinancierd moeten worden. Het gaat dan niet alleen over directe overheidsinvesteringen maar ook over overheidssteun voor andere investeringen. Want financiering via private kanalen is minder evident dan vaak wordt verondersteld. Heel wat klimaatgerelateerde investeringen verdienen zich niet terug of toch niet op een redelijke termijn waardoor ze niet financieel rendabel te krijgen zijn, zelfs niet bij hogere CO2-prijzen. En zelfs als investeringen rendabel zijn, kunnen er betaalbaarheidsproblemen zijn. Het is niet omdat dakisolatie rendabel is, dat mensen voldoende geld hebben om dat op korte termijn te betalen. Tegelijk is het belangrijk dat de overheidsfinanciën gezond blijven en dat geen kosten doorgeschoven worden naar de toekomstige generaties. Dat zal - met de huidige begrotingssituatie en de Europese begrotingsregels, in een kader van schuldbeperking en -beheersing en gelet op andere aanspraken op de begroting, o.a. vanuit zorg en onderwijs - de komende jaren de Vlaamse overheidsfinanciën op scherp zetten.

Volgens onze berekeningen kunnen zo 3 tot 12 miljard euro extra uitgaven op de Vlaamse begroting rusten. Deze vork is groot omdat veel afhangt van nog te maken beleidskeuzes.

De grootste uitgavenpost in onze bierviltjesberekening – goed voor de helft van de behoefte - zijn de middelen voor de renovatie van woningen van gezinnen die dat zelf niet kunnen betalen of van woningen die aan die groepen verhuurd worden en die eventuele verhoogde huurlasten niet kunnen dragen. Tegen 2030 moeten er voor kwetsbare groepen naar schatting 500.000 private woningen, 200.000 private huurwoningen en 50.000 sociale woningen gerenoveerd worden (en moeten er ruim 100.000 sociale woningen bijkomen om de wachtlijsten op te lossen). Renovatie van die woningen is erg nodig, omdat die groepen gemiddeld gezien in de slechtste en minst geïsoleerde woningen wonen (en omdat dit cruciaal is in de aanpak van woonnoden en armoede). Maar ruim een kwart tot een derde van de gezinnen heeft wellicht niet de mogelijkheid om die investeringen te betalen of om hiervoor te lenen. Wetende dat een ingrijpende energetische renovatie 40.000 tot 60.000 euro kost en rekening houdend met het gemiddeld financieel vermogen van Belgische gezinnen, blijkt dat dat vermogen in de drie quintielen met de laagste inkomens niet voldoende is om een diepgaande energetische renovatie te betalen (beseffende dat gezinnen ook nog wat marge moeten kunnen houden). De laagste quintielen hebben bovendien een relatief hoge schuldenlast – het laagste quintiel zelfs een schuldenlast van 65% van het inkomen - waardoor ook lenen niet evident is. En ook een kwart van de gezinnen heeft nu betaalbaarheidsproblemen voor hun woning. De mogelijkheid om die ingrijpende renovaties te betalen of de kosten daarvan doorgerekend te krijgen in de huurprijzen, is er in veel gevallen niet. Ingrijpende renovaties van 40.000 tot 60.000 euro hebben bovendien terugverdientijden van 45 tot 64 jaar. Dat is bijzonder lang. Een koolstoftaks zoals die federaal bestudeerd werd, kan die terugverdientijd nauwelijks verkorten. Het is dus niet zo dat die renovaties dan rendabel worden. Private financieringsconstructies zijn daardoor voor deze investeringen bij deze doelgroep niet evident, waardoor veel publieke middelen nodig zullen zijn, naar schatting tussen 1,4 en 6 miljard.

De tweede grote uitgavenpost (tussen 0,6 en 1,4 miljard) zijn investeringen in scholen om ze klimaatneutraal en kwalitatief in orde te maken. Want dat is hard nodig. De toestand van de scholen is de laatste jaren verbeterd, maar nog steeds dramatisch. De indicatoren kleuren nog erg rood, zowel indicatoren die gaan over de aanwezigheid van isolatie of andere energiemaatregelen als algemene indicatoren over de kwaliteit van schoolgebouwen en hun veiligheid en hygiëne. Het gaat dan ook over asbestproblemen, brandveiligheid, voldoende ruimte, enz. Investeringen in scholen zijn dus sowieso erg nodig, ook omdat de infrastructuur een impact heeft op de leerprestaties. Goede ventilatie en daardoor minder CO2 zou voor rekenen het verschil maken tussen een 6,5 en een 8. In de praktijk toont onderzoek aan dat piekconcentraties voor CO2 in bijna alle onderzochte klassen in Vlaanderen de normen overschrijden.

In de top 3 staat ook de verlichting van de elektriciteitsfactuur. Het betreft de plannen om openbare dienstverplichtingen en certificatenkosten via algemene middelen te financieren in plaats van via de elektriciteitsfactuur. Daarvoor is 1,4 miljard per jaar nodig.

Andere uitgaven die we hebben meegenomen in onze berekeningen zijn investeringen in De Lijn, in fietsinfrastructuur en warmtenetten, in sociale woningen en in groen-blauwe infrastructuur. Verder zijn er de kosten van het gebruik van flexibiliteitsmechanismen omdat het ernaar uitziet dat we onze doelen rond klimaat en vooral hernieuwbare energie niet volledig intern zullen realiseren en die tekorten moeten worden gecompenseerd door ze elders aan te kopen, en zijn er de plannen om eventueel voor nieuwe groene energie te werken met investeringssteun die in tegenstelling tot de certificatensteun niet via elektriciteitsfactuur gefinancierd wordt.

Samengeteld zijn dit erg grote bedragen. Maar diverse uitgavenposten hebben we nog niet verrekend. Bij gebouwen gaat het bv. over renovaties in de tertiaire sector zoals bij zorg- en welzijnsinstellingen en over woon- en energiepremies voor andere doelgroepen. In de energiesector hielden we geen rekening met de kosten van CRM of offshore, en ook niet met kosten voor opslag, digitale meters, omvorming van gassen, waterstofnetten, de verLEDding van de openbare verlichting. Ook voor de groene warmteambities voorzagen we nog geen euro. Bij de transportsector keken we niet naar spoor, voetgangers, elektrische auto’s en alles wat daarbij komt kijken, ook niet naar deelsystemen, binnenvaart, enz. We maakten ook nog geen inschattingen voor eventuele tegemoetkomingen aan de landbouwsector, de ecologiepremies, eventuele extra middelen voor innovatie en onderzoek, voor dataplatformen, voor ontzorging en voor ruimtelijke herschikkingen om transportvraag te verminderen.

In elk geval vergt de omvang van deze bedragen bijzondere aandacht voor opties om de kosten te verlagen om zo de druk op de financiën en de economie te verlichten. Innovatie is dan belangrijk, vooral om de kosten van diepgaande renovaties te verminderen. Ook een collectieve aanpak, zoals wijkrenovatie, kan dan kostenbesparend werken. Infrastructuurkosten kunnen worden beperkt door bestaande infrastructuur beter te gebruiken. De kosten zullen ook afhangen van het ambitieniveau van de nog vast te leggen doelen en de efficiëntie van de gekozen maatregelen en instrumenten. Een specifieke kostenpost die daarbij aandacht verdient, zijn de financiële kosten, waaronder de kosten van schulden (bij o.a. netbeheerders) en de transactiekosten die bv. samenhangen met complexe steunmechanismen of vergunningsprocedures. Ook een efficiënte overheidsorganisatie is van belang met een permanente bewaking van de kosten.

Daarnaast kunnen ook nieuwe inkomsten de druk op de Vlaamse begroting verlichten. Er zijn her en der al heel wat nieuwe financieringspistes gesuggereerd, waarvan we de verwachte opbrengsten in kaart hebben gebracht. We komen uit op een gecumuleerd totaal van 3 tot 9 miljard € extra per jaar. Belangrijke kanttekening hierbij is wel dat een deel hiervan federaal geregeld wordt waardoor het niet zeker is dat dit Vlaamse middelen kunnen worden. Bovendien rusten er allerhande claims op vrijwel al deze middelen (kilometerheffing, federale CO2-taks niet-ETS-sectoren, veilingopbrengsten ETS-rechten, afschaffing salariswagens, …) waardoor het niet zeker is dat deze middelen beschikbaar zouden komen voor klimaatuitgaven. De belangrijkste pistes werden overigens aangekondigd als budgetneutraal. Ze zouden gecompenseerd worden door de verlaging van andere belastingen. Pistes die minder zouden opbrengen, zijn de vlieg- en kerosine taks, de eventuele terugvordering van het federale niveau van de BTW betaald op extra renovaties en de hervorming van de woonbonus. Het is dus onzeker wat er effectief meer zal binnen komen door deze financieringspistes.

Het debat over de heroriëntering van bestaande financieringspistes, de introductie van nieuwe pistes en in het bijzonder rond een CO2-taks nog onvoldoende verfijnd en onderbouwd gevoerd om de discussies nu al te beslechten. Snelle vooruitgang hierin is nodig, met meer cijfers om goede keuzes te kunnen maken, en - in aanvulling op de federale studies over koolstofbeprijzing op niet-ETS emissies - meer aandacht voor het optimale schaalniveau, impactanalyses, onderzoek naar andere tariefdragers en alternatieve moduleringen. De verkenning van alternatieve financierings- en sturingspistes moet gebeuren in het kader van een bredere taxshift en in afstemming met de federale overheid en de andere gewesten en moet bij voorkeur geregeld worden op internationaal en minstens op Europees niveau.

Deze vraag naar een breder financieringsdebat op basis van meer data is geen vraag om de cruciale financieringsbeslissingen nog jaren uit te stellen. De berekeningen van de SERV willen vooral de omvang van de financieringsuitdaging illustreren en de aanzet geven tot een becijferd debat. Cruciaal is dat gekeken wordt hoe de kosten van de energie- en klimaattransitie zoveel mogelijk kunnen worden beperkt, hoe er voor de nodige (eventueel alternatieve) middelen wordt gezorgd en tegelijkertijd gestuurd wordt in een duurzame richting en hoe schulden maximaal vermeden of afgebouwd worden om te vermijden dat ze de uitdagingen in de toekomst in de weg staan. Deze cruciale kwesties moeten de komende weken en maanden snel én op basis van cijfermatige onderbouwing worden beslecht.

Voldoende werkkrachten

Zelfs als financiering rond zou zijn, moeten er ook voldoende mensen op het terrein zijn om de energie- en klimaattransitie in de praktijk te brengen.

Dat schept vooral in de bouwsector grote uitdagingen. Volgens het ontwerp klimaatplan zou de renovatiesnelheid moeten verdriedubbelen, van 25.000 renovaties per jaar nu naar 70.000 renovaties als men renovaties gaat verplichten bij transacties. Dat lijkt dan nog een conservatieve inschatting. Want als we ervan uitgaan dat om de doelstelling voor gebouwen van -43% tegen 2030 te realiseren, de helft van de 3 miljoen woningen zeer grondig aangepakt moet worden tegen 2030, dan moet de renovatiesnelheid maal 5. Dat is enorm... We veronderstelden dat hiervoor de hoeveelheid arbeidskrachten in de bouw ruwweg met een factor 2,5 moet toenemen. Dat impliceert maar liefst 250.000 extra arbeidskrachten. De vraag is waar we die zullen halen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt, de stijgende vacatures in de bouw, de vele openstaande vacatures, het stijgende aantal buitenlandse arbeidskrachten en de relatief lage instroom vanuit het onderwijs in STEM en bouwrichtingen. De extra werkgelegenheid in de bouwsector als gevolg van de klimaattransitie blijkt in tijden van arbeidskrapte dan ook eerder een dringend aan te pakken hinderpaal dan een voordeel van de transitie. Een toekomstgerichte arbeidsmarktstrategie is nodig die uitklaart welke rol toeleiding, herscholing, innovatie en buitenlandse arbeidskrachten hierin zullen spelen.

Ook bij de Vlaamse overheid is een personeelsprobleem. Van de 25.500 Vlaamse ambtenaren werken er slechts een 100-tal VTE op energie en klimaat, nauwelijks 0,5%. Die energie- en klimaatbestaffing van minder dan 100 VTE’s binnen het Vlaams Energie-Agentschap en het Departement Omgeving staat niet in verhouding tot de uitdaging. Als klimaat en energie prioritair zijn, moet zich dat ook in deze cijfers weerspiegelen. Er is dus dringend nood aan verschuivingen in de overheidsorganisatie en een versterkte projectwerking om expertise te bundelen en verkokering te doorbreken. Die verschuiving is nodig om de onderbouwing, de samenwerking en het overleg zodanig te verbeteren dat we de 2030-doelen binnen bereik komen. Daarnaast is het een uitdaging om ook op lokaal niveau voldoende mensen vrij te maken voor maatwerk en ontzorging, ook via beloftevolle intermediaire actoren.

Beter bestuur

De versterkte capaciteit bij de overheid moet ook bijdragen tot beter bestuur, het vierde en laatste domein waarrond vooruitgang cruciaal is om de klimaatdoelen dichter bij te brengen. Deze vraag naar beter bestuur is niet nieuw. Ze staat al jaren in de adviezen van de SERV over de werking van de overheid en over energie- en klimaatbeleid. Klimaatbeleid moet transversaal en integraal vorm krijgen, met meer afstemming en samenwerking tussen beleidsdomeinen en – niveaus, waarbij de overheid meer functioneert als een netwerkorganisatie die actief synergieën zoekt. ‘Omwegen’ moeten klimaatmaatregelen stimuleren door in te spelen op wat actoren persoonlijk motiveert. Hier kunnen gedragswetenschappen helpen. Een ‘circulaire economie’-beleid moet emissies in de hele keten aanpakken. Ook compactheid en verdichting moeten belangrijke aangrijpingspunten zijn om emissies te verminderen. Een ander politiek klimaat moet ruimte geven aan betere overleg-, consultatie-, participatie- en communicatieprocessen en aan onderbouwing en evaluatie. Daarvoor moeten de verzameling, verspreiding en analyse van energie- en klimaatgerelateerde data dringend verbeteren. Een meer wendbare overheid moet breed en ver vooruit kijken en flexibel inspelen op nieuwe ontwikkelingen die de energie- en klimaattransitie de nodige extra vaart kunnen geven.

Sublimatie

Samengevat denken we dat de implicaties van de -35%-doelstelling meer moeten doordringen in het politieke en maatschappelijke debat om tijdig de nodige acties te nemen. We vragen een geïntegreerde planning rond infrastructuur en ruimte die duidelijk maakt welke investeringen waar zullen gebeuren. We vragen een financieel plan dat vastlegt hoe Vlaanderen de transitie zal financieren en hoe het financiële instrumenten zal inzetten om de energie- en klimaattransitie te stimuleren. We vragen verschuivingen en versterkingen van het personeel zowel bij de energie- en klimaatstaf van de Vlaamse overheid als voor de bouwsector. We vragen bestuurlijke vernieuwing met acties die zorgen voor meer data en betere beleidsprocessen. Want alleen wanneer het klimaat- en energiebeleid sublimeert in discussies over infrastructuur, begroting, arbeidsmarkt en bestuur, kan het subliem genoeg zijn om de -35% tegen 2030 binnen bereik te brengen én om tegelijkertijd iedereen aan boord te houden.

Meer op www.serv.be 

Bron: www.linkedin.com

Auteur: Annemie Bollen en Peter Van Humbeeck

Foto: Annemie Bollen en Peter Van Humbeeck

Bekijk grote versie van deze afbeelding

0 reacties